ELB 290 : 1
Het brood dat ons voor ogen staat
en zich geduldig breken laat,
is uw gedaante, lieve Heer,
Gij daalt als manna in ons neer
ELB 290 : 2
De beker die de ronde doet,
het is de omloop van uw bloed
het spreekt van een geheimenis,
uw hartslag die ons leven is.
ELB 290 : 3
Uw bloed, het raakt de lippen aan,
de deurposten van ons bestaan,
de dood gaat aan ons hart voorbij,
o Lam van God, U loven wij.
ELB 290 : 4
Gij die een broodhuis voor ons zijt,
een wijngaard die het hart verblijdt,
Heer Jezus, die ons drenkt en voedt,
Gijzelf zijt onze overvloed.