Psalmen
101 Ik wil, HEER, in mijn lied de zegeningen
102 HEER, hoor mijn gebed, laat blijken
103 Zegen, mijn ziel, de grote naam des HEREN,
104 Mijn ziel, verheerlijk God om zijne macht.
105 Looft God den HEER, en laat ons blijde
106 Looft nu den HEER, want Hij is goed,
107 Gods goedheid houdt ons staande
108 Mijn hart is, Heer, in U gerust.
109 God die ik loof te allen tijde,
110 De HERE God heeft tot mijn heer gesproken:
111 Van ganser harte loof ik Hem
112 God zij geloofd en hoog geprezen.
113 Prijst, halleluja, prijst den HEER,
114 Toen IsraŽl uit Egypteland ging,
115 Niet ons, o HEER, niet ons zij eer gewijd,
116 God heb ik lief, want die getrouwe HEER
117 Looft, alle volken, looft den HEER,
118 Laat ieder 's HEREN goedheid prijzen,
119 Welzalig wie de rechte wegen gaan,
120 Ik hief mijn stem in vrees en beven
121 Ik sla mijn ogen op en zie
122 Hoe sprong mijn hart hoog op in mij,
123 Tot U, die zetelt in de hemel hoog,
124 Laat IsraŽl nu zeggen blij van geest:
125 Wie op den HERE God vertrouwen
126 Toen God de HEER uit 's vijands macht
127 Wanneer de HEER het huis niet bouwt,
128 Welzalig is een ieder / die God van harte vreest
129 Zij hebben immer van mijn jeugd af aan,
130 Uit diepten van ellende / roep ik tot U, o HEER.
131 O HEER, er is geen trots in mij,
132 HEER, denk aan David en zijn eed.
133 Zie toch hoe goed, hoe lieflijk is 't dat zonen
134 Gij dienaars aan den HEER gewijd,
135 Halleluja! looft den HEER,
136 Looft den HEER, want Hij is goed,
137 Aan Babels stromen zaten wij gevangen.
138 U loof ik, Heer, met hart en ziel,
139 HEER, die mij ziet zoals ik ben,
140 Bescherm mij, HEER, behoed mijn leven,
141 U, HEER, roep ik, U geldt mijn smeken,
142 Tot God den HEER hief ik mijn stem,
143 O HERE, hoor naar mijn gebeden,
144 Gezegend zij de Heer, die t'allen tijde
145 O Heer, mijn God, Gij koning van 't heelal,
146 Zing, mijn ziel, voor God uw HERE,
147 Lof zij den HEER, goed is het leven
148 Halleluja! Prijst God en zingt,
149 Halleluja! laat opgetogen
150 Looft God, looft Hem overal.