Gezangen
301 Wij moeten Gode zingen
302 God zij geloofd om Kanan,
303 De ware kerk des Heren,
304 God is getrouw, zijn plannen falen niet,
305 Waar God de Heer zijn schreden zet
306 Heer, stuur zelf het schip der kerk.
307 Vergeef, o Heer, dat duizendvoud
308 In Christus is noch west noch oost,
309 O Heer, wees met uw kerk
310 Bewaar ons, Here, bij uw woord,
311 Hoe komt het dat het bos
312 Behoed uw kerk, zet uit, o God, haar palen,
313 Zonne der gerechtigheid,
314 Gij die gelooft, verheugt u samen,
315 O Heer die overwint
316 Blijf bij ons, Jezus, onze Heer;
317 Halleluja, 't loflied rijze
318 Hoe goed, o Heer, is 't hier te zijn,
319 Looft God, die zegent al wat leeft,
320 Zingt een nieuw lied voor God de Here
321 O Vader die uw woning sticht
322 Hoor Gij ons aan!
323 God is tegenwoordig, God is in ons midden,
324 Wij zoeken in uw huis uw aangezicht, o Here.
325 Niet als een storm, als een vloed,
326 Een rijke schat van wijsheid
327 Heer Jezus, o Gij dageraad,
328 Here Jezus, om uw woord
329 Grote God, Gij hebt het zwijgen
330 Heb dank, o God van alle leven,
331 Wij geloven allen in n God,
332 Heer Jezus, Gij die als een kind
333 O Here God, ons liefst verlangen,
334 Here Jezus, wij zijn nu
335 Heer van uw kerk,
336 Zie hier de kindren tot U komen,
337 Het water van de grote vloed
338 O God, die naar uw strenge wet
339 Wie ingaat tot dit water,
340 Heer, zie ons aarzelend staan
341 Gij hebt uw woord gegeven
342 Tot U o Heer, tot U die liefde zijt,
343 Nu heeft het oude leven afgedaan!
344 Het heil des hemels werd ons deel
345 Jezus, Meester aller dingen,
346 Ter maaltijd van het lam gereed,
347 Roept God een mens tot leven,
348 Wij dragen onze gaven,
349 O Vader, trek het lot U aan
350 God, die leven
351 Zie ons heden
352 U, verborgen Christus, bid 'k eerbiedig aan:
353 Het hoogste woord daalt uit het licht
354 God zij gezegend! Laat ons dank bewijzen
355 Ziel, mijn ziel, aanvaard uw luister,
356 O leid mijn blindheid bij de hand,
357 Breek ons, Heer, het brood,
358 Genadig Heer, die al mijn zwakheid weet,
359 Midden in de dood
360 Heer, wij komen vol verlangen,
361 De Heer zegt woorden van leven,
362 De eerste uit de doden
363 O God die stierf onschuldig,
364 Laat ons als Jezus' jongren nooit vergeten:
365 De zonden zijn vergeven!
366 Gij zijt mijn goed,
367 Wij bidden u Gods zegen toe.
368 Als God ons huis zijn gunst onthoudt,
369 God die in het begin
370 O eeuwge Schepper van het al
371 De haan kraait dat de dag begint,
372 O diepe nacht die ons omringt,
373 Nu wordt het licht, de dag breekt aan,
374 De zon gaat op in gouden schijn,
375 De trouw en goedheid van de Heer
376 In 't oosten klaar laat blozen
377 De gouden zonne / heeft overwonnen
378 Het licht dat weer opnieuw begon,
379 O mijn ziele, looft den Here,
380 Ontwaak, o mens, de dag breekt aan,
381 Het nieuwe daglicht staat ons borg
382 God die het al geschapen heeft,
383 O Christus die de zonne zijt
384 Verzonken is het licht der zon,
385 Gij die mijn liefste kleinood zijt,
386 De nacht, de moeder van de rust,
387 O Heer mijn God, ook deze nacht
388 De avond komt, de zon daalt in het westen
389 Nu is de dag ten einde,
390 'k Wil U, o God, mijn dank betalen,
391 De maan is opgekomen.
392 Blijf mij nabij, wanneer het duister daalt.
393 De dag, door uwe gunst ontvangen,
394 Gij hebt het daglicht weggenomen,
395 O Heer, verberg U niet voor mij,
396 Het oude jaar is nu voorbij.
397 O God, die droeg ons voorgeslacht,
398 Door goede machten trouw en stil omgeven,
399 Wij loven U, o God, belijden U als Heer.
400 Almachtige, verheven Heer, halleluja,