Gezangen
001 God heeft het eerste woord.
002 Wat sprak God op de eerste dag?
003 Uit Oer is hij getogen,
004 Wij eten weer het bitter brood
005 Wij trekken nu het diensthuis uit,
006 Ik zing voor de Heer en ik prijs zijn gezag;
007 Het woord dat u ten leven riep
008 Gij hemel en aarde, doet open uw oor
009 Mijn hart verheugt zich zeer
010 David heeft de reus verslagen
011 Elia was, tot de dood beducht,
012 Niet in 't geweldige geluid
013 D'Almachtige is mijn Herder en Geleide,
014 De Heer is mijn Herder!
015 Loof nu, mijn ziel, de Here,
016 Gij volken looft uw God en Heer
017 'k Hef, vol verlangst, van dag tot dag mijn ogen
018 Zalige ure! vruchtbaar van verblijden,
019 Uit angst en nood stijgt mijn gebed.
020 Laat ons nu vrolijk zingen!
021 Alles wat adem heeft love de Here,
022 De wijsheid van vóór alle tijden
023 Het zal zijn in het laatste der tijden
024 Jesaja de profeet zag in de geest
025 Het volk dat wandelt in het duister
026 Daar is uit 's werelds duistre wolken
027 De Heer richt op zijn berg een maaltijd aan,
028 Wij hebben een sterke stad,
029 Gij die 't menselijke leven
030 Wie mat de waatren in zijn holle hand,
031 Zij zullen de wereld bewonen,
032 Hoe lieflijk, hoe schoon zijn de schreden
033 O alle gij dorstigen, komt tot de stromen
034 Om Sions wil zwijg ik niet stil,
035 Scheur, Heer, de heemlen, scheur ze wijd
036 Ik zal, zo spreekt de Here
037 Zo sprak de Heer der legerscharen,
038 De Heer spreekt: hoor mijn hartsgeheim,
039 Vrees niet, gij land, verheug u en wees blijde
040 Zijt Gij mijn God,
041 De Here, de heerser der aarde,
042 Verheug u, gij dochter van Sion,
043 Die dag zal komen, brandend als een oven,
044 Dankt, dankt nu allen God
045 O Gij die onze koning zijt
046 Kwam van Godswege
047 Jezus die langs het water liep
048 O onze Vader, trouwe Heer,
049 De vogels van de bomen
050 O grote God, o goede Heer,
051 Lieve Heer, Gij zegt `kom' en ik kom, -
052 Jaïrus had een dochtertje,
053 Zijt Gij waarop de wereld wacht
054 Een zaaier ging uit om te zaaien,
055 Weet gij waarmee het koninkrijk
056 Ga in het schip, zegt Gij,
057 Zeven was voldoende,
058 De schapen alle honderd,
059 De rijke kwam tot Jezus
060 Pluk nu het groen van de velden
061 Een landheer had met eigen hand
062 Wie oren om te horen heeft,
063 De Heer verschijnt te middernacht!
064 Gij hebt met uw brede gebaren
065 Het graan slaapt in de aarde
066 Mijn ziel verheft Gods eer;
067 God zij geloofd uit alle macht,
068 Zo laat Gij, Heer, uw knecht,
069 Johannes, wat moeten wij doen?
070 De laatsten worden de eersten,
071 Jezus, wandlend langs de wegen,
072 Gij volgt ons uit Jeruzalem
073 De Heer is onze reisgenoot,
074 Wij willen de bruiloftsgasten zijn
075 U kennen, uit en tot U leven,
076 Zie hoe de mensen heengaan,
077 De Trooster komt,
078 Laat me in U blijven, groeien, bloeien,
079 Die in benauwdheid zuchten
080 Wij delen verdriet en zorgen
081 Ik zoek mijn Heer, het graf is leeg,
082 Terwijl wij Hem bewenen,
083 O Heer, blijf toch niet vragen.
084 O God die op het Pinksterfeest
085 De hemel is opengesprongen,
086 De wereld is van Hem vervuld,
087 Wij willen God de ere geven
088 Mijn God, gewapend tot de tanden
089 O Christus, Heer der heerlijkheid
090 Is God de Heer maar voor mij,
091 Niemand van ons leeft voor zichzelf alleen,
092 Al kon ik alle talen spreken
093 Bij 't steken der bazuinen
094 Mensen, wij zijn geroepen om te leven!
095 Nu bidden wij met ootmoed en ontzag
096 Wordt krachtig in de Heer
097 Naam van Jezus die ten dode
098 Verblijdt u in de Heer te allen tijd!
099 Christus naar wie wij heten
100 Er heeft een stem gesproken,
101 Om Christus' wil zijn wij verblijd.
102 God heeft vanouds gesproken
103 De heiligen, ons voorgegaan,
104 Al wie het woord zal horen
105 Christus heeft voor ons geleden
106 Het einde aller dingen is nabij,
107 Wie zich hovaardig heffen,
108 Weest niet verbaasd als u de wereld haat;
109 Hoor een heilig koor van stemmen,
110 Het Lam, voor ons op aard' geslacht,
111 Een stem, die niemand stuit,
112 Als Koning opgetreden
113 Ik zag een troon
114 Ik zag een nieuwe hemel zich verheffen,
115 Die op de troon zat zeide:
116 Daar komt een schip, geladen
117 Hoe zal ik U ontvangen,
118 Op U, mijn Heiland, blijf ik hopen.
119 Richt op uw macht, o Here der heirscharen
120 Heft op uw hoofden, poorten wijd!
121 God lof! Nu is gekomen
122 Kom tot ons, de wereld wacht.
123 De naam des Heren nadert reeds van verre,
124 Nu daagt het in het oosten,
125 O kom, o kom, Immanuël,
126 Verwacht de komst des Heren,
127 Gaat, stillen in den lande,
128 Kom tot ons, scheur de heemlen, Heer,
129 Geen kracht meer om te leven,
130 De nacht is haast ten einde,
131 O zalig, heilig Bethlehem,
132 Er is een roos ontloken
133 `Ik ben een engel van de Heer,
134 Eer zij God in onze dagen,
135 Hoor, de englen zingen de eer
136 Hoort gij de englen zingen,
137 Hoor de herders, hoe ze Hem loven,
138 Komt allen tezamen,
139 Komt, verwondert u hier, mensen,
140 Prijs de Heer die herders prijzen,
141 Ik kniel aan uwe kribbe neer,
142 U Jezus Christus loven wij,
143 Stille nacht, heilige nacht!
144 Dansen wil mijn hart en springen,
145 Nu zijt wellekome Jesu, lieve Heer,
146 Dit is de dag, die God ons schenkt,
147 Looft God, gij christnen, maakt Hem groot
148 Wees wellekom, Immanuël,
149 O God die met ons zijt,
150 In den beginne was het woord,
151 O Christus, woord der eeuwigheid,
152 Een Kind geboren te Bethlehem,
153 Wij edelingen, blij van geest,
154 O Kerstnacht, schoner dan de dagen,
155 Kind, nu wij om U vrolijk zijn,
156 Van 't vroeglicht van de dageraad
157 Hoe helder staat de morgenster
158 Christus, met eer gekroonde,
159 O Here Jezus, lang verbeid,
160 Komt ons in diepe nacht ter ore:
161 Uit uw hemel zonder grenzen
162 Omdat Hij niet ver wou zijn
163 Gij zijt een mensenzoon, Gij komt van ver,
164 Gij die de ster van David zijt
165 Toen Jezus bij het water kwam,
166 Juicht voor de koning van de Joden,
167 Heer Jezus, licht der wereld
168 O Jezus Christus, licht ze bij
169 Zingt nu de Heer, stemt allen in
170 Meester, men zoekt U wijd en zijd,
171 Christus wandelt langs de straten
172 Een mens te zijn op aarde
173 Alles wat over ons geschreven is
174 Ik wil mij gaan vertroosten
175 O wij arme zondaars, bedelaars onrein,
176 O Liefde die verborgen zijt
177 Leer mij, o Heer, uw lijden recht betrachten,
178 Jezus, om uw lijden groot,
179 Wie heeft op aard de prediking gehoord,
180 Gethsémane, die nacht moest eenmaal komen.
181 Noem de overtreding mij, die Gij begaan hebt,
182 Jezus, leven van ons leven,
183 O hoofd vol bloed en wonden,
184 Met de boom des levens
185 Des konings vaandels gaan vooraan,
186 Zing, mijn tong, bezing het teken
187 Daar gaat een lam en draagt de schuld
188 O Lam van God, onschuldig
189 Mijn Verlosser hangt aan 't kruis,
190 Wie hangt er zo deerlijk, geteisterd, geschonden,
191 Gij wordt voor mij gekruisigd, Heer,
192 O kostbaar kruis, o wonder Gods,
193 O wereld, zie uw leven
194 Dag zo bitter en zo goed
195 Nu valt de nacht.
196 Den Heer wil ik prijzen
197 De dag rijst rood in het verschiet,
198 De mond der aarde spreekt
199 De toekomst van de Heer is daar
200 Heerlijk verschenen is de dag
201 O dag van de verrijzenis,
202 Nu de Heer is opgestaan
203 Die in de dood gebonden lag
204 Jezus Christus, onze Heiland,
205 Nu triomfeert de Zoon van God
206 Komt drinken wij tot lafenis
207 Hoort aan, gij die Gods kindren zijt:
208 De Heer is waarlijk opgestaan,
209 Nu moet gij allen vrolijk zijn.
210 Sta op! - Een morgen ongedacht,
211 Christus is opgestanden
212 Halleluja, de blijde toon,
213 Lof zij God in de hoogste troon,
214 O morgen van verblijden,
215 Christus, onze Heer, verrees,
216 Laat groot en klein
217 Jezus leeft en ik met Hem!
218 Ik zeg het allen, dat Hij leeft,
219 Zingt ten hemel toe,
220 Zingt nu de Heer! Hij zag ons aan,
221 Wees gegroet, gij eersteling der dagen,
222 Jezus is ons licht en leven!
223 De aarde is vervuld
224 Kondigt het jubelend aan,
225 Zingt voor de Heer een nieuw gezang!
226 Gij die der sterren schepper zijt,
227 Gij maakt ons, Jezus, waarlijk vrij,
228 Ten hemel opgevaren is, halleluja,
229 De dag van onze Vorst brak aan.
230 Overwinnaar, grote Koning,
231 Wij knielen voor uw zetel neer,
232 Gij, Jezus Christus, opgestegen
233 Heer, komt in deze tijd
234 Al heeft Hij ons verlaten,
235 In bidden en in smeken,
236 De jaarkring brengt ons in zijn keer
237 Kom Schepper, Geest, daal tot ons neer,
238 Kom o Geest des Heren kom
239 Kom Schepper God, o Heilge Geest,
240 Kom, Heilige Geest, Here God!
241 Nu bidden wij de Heilige Geest
242 Komt laat ons deze dag
243 Toen eenmaal God terneder kwam,
244 Christus stoot de hemel open,
245 Geest, uit de hemel neergedaald,
246 Gods adem die van boven kwam
247 De Geest des Heren heeft
248 Geweldige, gedreven wind,
249 Wij leven van de wind
250 Kom, Heilge Geest, Gij vogel Gods,
251 De wereld is gewonnen
252 Wat zijn de goede vruchten,
253 O zalig licht, Drievuldigheid,
254 God in den hoog' alleen zij eer
255 Ere zij aan God, de Vader,
256 Niet enkel door het water
257 Halleluja, eeuwig dank en ere,
258 Halleluja, lof zij de Heer!
259 Halleluja! Lof zij het Lam,
260 Stad Jeruzalem verheven,
261 Sion mijn vaderland
262 `Op, waakt op!' zo klinkt het luide.
263 Jeruzalem, gij schone stad,
264 Jeruzalem, o stad zo hoog gebouwd,
265 Jeruzalem, mijn vaderstad,
266 Gods kinderen op aarde
267 Zalig, die in Christus sterven,
268 U heb ik lief, U roep ik aan!
269 Gelijk als de witte zwanen
270 Eenmaal, wanneer mijn uur zal slaan
271 Ach hoe vluchtig, ach hoe nietig,
272 Midden in het leven zijn wij
273 Heer, herinner U de namen
274 O Jezus wees ter plaatse!
275 Er was een kind, dat zwaar en diep
276 Als Godes Zoon, de heerser overal
277 O hoe brandend van verlangen
278 Dag des oordeels, dag des Heren.
279 Het duurt niet lang meer tot de tijd
280 Rechter in het licht verheven,
281 Jezus zal heersen waar de zon
282 God zij geloofd in elk seizoen.
283 Gij zijt de zin van wat wij zijn,
284 O lieve Heer, geef vrede
285 Geef vrede, Heer, geef vrede,
286 Geef aan de wereld vrede, Heer,
287 Waartoe geploegd, als 't zaad
288 Eens komt de grote zomer
289 Morgenglans der eeuwigheid,
290 Er is een land van louter licht
291 Nooit kan 't geloof te veel verwachten,
292 Wegen Gods, hoe duister zijt gij,
293 Wat de toekomst brengen moge,
294 Laat komen, Heer, uw rijk,
295 Aan de deur van 's harten woning
296 Ik kom met haast, roept Jezus' stem.
297 Toch overwint eens de genade,
298 Wij staan ten laatsten kamp gereed,
299 Voor alle heilgen in de heerlijkheid
300 Eens, als de bazuinen klinken
301 Wij moeten Gode zingen
302 God zij geloofd om Kanaän,
303 De ware kerk des Heren,
304 God is getrouw, zijn plannen falen niet,
305 Waar God de Heer zijn schreden zet
306 Heer, stuur zelf het schip der kerk.
307 Vergeef, o Heer, dat duizendvoud
308 In Christus is noch west noch oost,
309 O Heer, wees met uw kerk
310 Bewaar ons, Here, bij uw woord,
311 Hoe komt het dat het bos
312 Behoed uw kerk, zet uit, o God, haar palen,
313 Zonne der gerechtigheid,
314 Gij die gelooft, verheugt u samen,
315 O Heer die overwint
316 Blijf bij ons, Jezus, onze Heer;
317 Halleluja, 't loflied rijze
318 Hoe goed, o Heer, is 't hier te zijn,
319 Looft God, die zegent al wat leeft,
320 Zingt een nieuw lied voor God de Here
321 O Vader die uw woning sticht
322 Hoor Gij ons aan!
323 God is tegenwoordig, God is in ons midden,
324 Wij zoeken in uw huis uw aangezicht, o Here.
325 Niet als een storm, als een vloed,
326 Een rijke schat van wijsheid
327 Heer Jezus, o Gij dageraad,
328 Here Jezus, om uw woord
329 Grote God, Gij hebt het zwijgen
330 Heb dank, o God van alle leven,
331 Wij geloven allen in één God,
332 Heer Jezus, Gij die als een kind
333 O Here God, ons liefst verlangen,
334 Here Jezus, wij zijn nu
335 Heer van uw kerk,
336 Zie hier de kindren tot U komen,
337 Het water van de grote vloed
338 O God, die naar uw strenge wet
339 Wie ingaat tot dit water,
340 Heer, zie ons aarzelend staan
341 Gij hebt uw woord gegeven
342 Tot U o Heer, tot U die liefde zijt,
343 Nu heeft het oude leven afgedaan!
344 Het heil des hemels werd ons deel
345 Jezus, Meester aller dingen,
346 Ter maaltijd van het lam gereed,
347 Roept God een mens tot leven,
348 Wij dragen onze gaven,
349 O Vader, trek het lot U aan
350 God, die leven
351 Zie ons heden
352 U, verborgen Christus, bid 'k eerbiedig aan:
353 Het hoogste woord daalt uit het licht
354 God zij gezegend! Laat ons dank bewijzen
355 Ziel, mijn ziel, aanvaard uw luister,
356 O leid mijn blindheid bij de hand,
357 Breek ons, Heer, het brood,
358 Genadig Heer, die al mijn zwakheid weet,
359 Midden in de dood
360 Heer, wij komen vol verlangen,
361 De Heer zegt woorden van leven,
362 De eerste uit de doden
363 O God die stierf onschuldig,
364 Laat ons als Jezus' jongren nooit vergeten:
365 De zonden zijn vergeven!
366 Gij zijt mijn goed,
367 Wij bidden u Gods zegen toe.
368 Als God ons huis zijn gunst onthoudt,
369 God die in het begin
370 O eeuwge Schepper van het al
371 De haan kraait dat de dag begint,
372 O diepe nacht die ons omringt,
373 Nu wordt het licht, de dag breekt aan,
374 De zon gaat op in gouden schijn,
375 De trouw en goedheid van de Heer
376 In 't oosten klaar laat blozen
377 De gouden zonne / heeft overwonnen
378 Het licht dat weer opnieuw begon,
379 O mijn ziele, looft den Here,
380 Ontwaak, o mens, de dag breekt aan,
381 Het nieuwe daglicht staat ons borg
382 God die het al geschapen heeft,
383 O Christus die de zonne zijt
384 Verzonken is het licht der zon,
385 Gij die mijn liefste kleinood zijt,
386 De nacht, de moeder van de rust,
387 O Heer mijn God, ook deze nacht
388 De avond komt, de zon daalt in het westen
389 Nu is de dag ten einde,
390 'k Wil U, o God, mijn dank betalen,
391 De maan is opgekomen.
392 Blijf mij nabij, wanneer het duister daalt.
393 De dag, door uwe gunst ontvangen,
394 Gij hebt het daglicht weggenomen,
395 O Heer, verberg U niet voor mij,
396 Het oude jaar is nu voorbij.
397 O God, die droeg ons voorgeslacht,
398 Door goede machten trouw en stil omgeven,
399 Wij loven U, o God, belijden U als Heer.
400 Almachtige, verheven Heer, halleluja,
401 Een vaste burcht is onze God,
402 Verheugt u, christenen, tesaam!
403 Wat mijn God wil, geschied' altijd
404 U Here Jezus roep ik aan,
405 Mijn God, waar zal ik henengaan?
406 U heb ik lief, mijn God en Heer,
407 Christus mijn Heer, op U alleen
408 Nu laat ons God de Here
409 Laat ons de Heer lofzingen,
410 Zingen wij van harte zeer,
411 Wilhelmus van Nassouwe
412 O Heer, die daar des hemels tente spreidt
413 De Heer in zijnen troon, zeer schoon,
414 Wilt heden nu treden voor God, den Here,
415 Komt nu met zang van zoete tonen
416 Gelukkig is het land,
417 Hoe groot, o Heer, en hoe vervaarlijk
418 Here, kere van ons af
419 O God die de gedachten
420 Ik hoor trompetten klinken,
421 Zolang als ik op aarde leven zal
422 Wie is het, die zo hoog gezeten,
423 Ach, blijf met uw genade,
424 Looft overal, looft al wat adem heeft,
425 Ga uit, o mens, en zoek uw vreugd,
426 Zou ik niet van harte zingen
427 Beveel gerust uw wegen,
428 Jezus, mijn verblijden,
429 Wie maar de goede God laat zorgen
430 Ik heb U lief, o mijn beminde,
431 Lof zij de Heer, ons hoogste goed,
432 Wat God doet, dat is welgedaan,
433 Al ruisen alle wouden,
434 Lof zij de Heer, de almachtige Koning der ere.
435 O verbreker aller banden,
436 Jezus neemt de zondaars aan.
437 Vernieuw Gij mij, o eeuwig Licht!
438 Heer geef mij vleugels dat ik reis
439 Hoe glanst bij Gods kindren het innerlijk leven,
440 Ik heb de vaste grond gevonden,
441 Komt, kinderen, niet dralen,
442 Jezus, ga ons voor
443 Liefde Gods die elk beminnen
444 Grote God, wij loven U,
445 God heeft mij zijn Zoon gegeven,
446 O Jezus, hoe vertrouwd en goed
447 God gaat zijn ongekende gang
448 Soms groet een licht van vreugde
449 God enkel licht,
450 Mijn ziel, waartoe dit angstig vrezen
451 Alle roem is uitgesloten
452 Verlosser, Vriend, o hoop, o lust
453 Ik weet waar mijn geloven
454 Wat zou ik zonder U geweest zijn,
455 Als Hij maar van mij is
456 Zegen ons, Algoede,
457 Heilig, heilig, heilig! Heer, God almachtig,
458 Tot U is het, Heer, dat ik vlucht,
459 Door de nacht van strijd en zorgen
460 Loof de Koning, heel mijn wezen,
461 O hoogt' en diepte, looft nu God,
462 Ontwaak, gij die slaapt, en sta op uit de doôn,
463 O Heer die onze Vader zijt,
464 Alle volken, looft de Here,
465 Van U zijn alle dingen,
466 Als God, mijn God, maar voor mij is,
467 O eeuwge Vader, sterk in macht,
468 Heer, mijn hert is boos en schuldig,
469 Het leven is: een krijgsbanier,
470 Wat vlied' of bezwijk', getrouw is mijn God,
471 Ik heb gejaagd, wel jarenlang,
472 Door uwe donkre sluier heen
473 Neem mijn leven, laat het, Heer,
474 God roept ons, broeders, tot de daad;
475 Geef mij, Heer, mij los te zingen
476 Eeuwig Woord, U willen wij bezingen,
477 Geest van hierboven,
478 Prijst des Heren machtig woord.
479 Aan U behoort, o Heer der heren,
480 Gij hebt, o Vader van het leven,
481 O grote God die liefde zijt,
482 De eersten zijn de laatsten,
483 Gij die alle sterren houdt
484 Waarom moest ik uw stem verstaan?
485 O Christus, wees geprezen!
486 Wij rijken, zeer door U bemind,
487 De Heer heeft mij gezien en onverwacht
488 Zolang er mensen zijn op aarde,
489 Een mens te zijn op aarde,
490 Hier is een stad gebouwd
491 Gij zijt voorbijgegaan,